In memoriam burgemeester Eberhard van der Laan (1955 - 2017)

Leiden, 28 juni 1955 – Amsterdam, 5 oktober 2017

Gisteren, op 5 oktober 2017, overleed Eberhard van der Laan, de burgemeester die zijn stad lief had. Het was volstrekt wederkerig: ook de stad hield innig van zijn burgervader. De Amsterdamse sportwereld telt één bevlogen supporter minder. Maar wel een supporter die in het belang van de sport knopen durfde door te hakken.

Twee jaar voor zijn benoeming tot burgemeester van Amsterdam liet Eberhard van der Laan al merken dat er een jongenshart in hem klopte. Een jongenshart dat droomde van voetbal. Als minister van wonen, wijken en integratie in het kabinet-Balkenende IV werd hij geacht na een wijkbezoek in Amersfoort in het plaatselijk congrescentrum een speech af te steken over de crisismaatregelen in de bouw. Die speech – die hij weldegelijk in zijn koffertje had zitten – was hij straal vergeten. Hij zou namelijk die middag na het bliksembezoek aan Amersfoort in het Olympisch Stadion meespelen in een voetbalwedstrijd aan de zijde van Johan Cruijff.

Op het podium in Amersfoort biechtte Van der Laan eerlijk op dat het vooruitzicht om met Cruijff te mogen spelen hem volstrekt van de wijs had gebracht. In de bouw snapten ze dat wel. Zich verontschuldigend dat hij zijn speech was vergeten, verliet hij onder applaus het toneel.

Op grote podia vond hij galant en welbespraakt toch al moeiteloos zijn draai. Als het nodig was, diende hij van repliek. Bij het vieren van het 31ste landskampioenschap van Ajax werd Van der Laan striemend uitgefloten. De huldiging vond plaats op een podium vlak bij de Amsterdam ArenA, een locatie die Van der Laan had verordonneerd nadat Ajax-hooligans in 2011 huis hadden gehouden op het Museumplein bij de ‘viering’ van het dertigste kampioenschap. Ze moesten maar fluiten wat ze wilden, riep Van der Laan naar de boze menigte: ‘Maar ik had al een seizoenkaart, toen jullie nog naar Sesamstraat zaten te kijken… in je pyjamaatje!’

Dat zei hij met recht. In 1966 zat hij al met zijn vader in het Olympisch Stadion bij de legendarische mistwedstrijd van Ajax tegen Liverpool. En in 1996 juichte hij vanaf de tribune in het Weense Ernst Happelstadion voor het puntertje van Patrick Kluivert waarmee Ajax de Champions League won.

Op 7 juli 2010 werd Eberhard van der Laan officieel geïnstalleerd als burgemeester van Amsterdam. Zes dagen later greep zijn eerste, grote publieke optreden plaats. Hij verwelkomde op het Museumplein het Nederlands voetbalelftal, dat met een zilveren medaille van het WK in Zuid-Afrika was teruggekeerd.

Heel Amsterdam kleurde die dag Oranje. De foto’s van de huldiging speelden een belangrijke rol bij het aanvankelijk touwtrekken tussen Amsterdam en Rotterdam wie zich naamstad van het bid voor de organisatie van de Olympische Spelen in 2028 zou mogen noemen. Het bleek weliswaar een Pyrrusoverwinning – nadat het kabinet in 2012 de stekker uit het Olympisch Plan trok – maar dat Amsterdam naar voren werd geschoven, was voor een belangrijk deel aan politiek tact van Van der Laan te danken. Samen met zijn Rotterdamse collega Ahmed Aboutaleb werkte hij achter de schermen aan een constructie ‘avant la lettre’. Een gedeeld bid – zo stond in het Olympic Charter – was uit den boze. Maar Amsterdam als naamstad en Rotterdam als zogenoemd ‘partnerstad’ hadden de strijdbijl nog niet begraven of het Internationaal Olympisch Comité brak precies op dit punt het Oympic charter open.

Eberhard van der Laan wist héél erg goed wat er speelde en hoe hij daarop moest inspelen. Hij was niet alleen een ‘dossiervreter’, maar ook een uiterst sensitieve burgemeester. Bij de jaarlijkse Olympische ontvangst tijdens Jumping Amsterdam, temidden van de politieke, sportieve en zakelijke kopstukken van Nederland verfrommelde hij bij aankomst zijn politiek correcte speech, zorgvuldig afgestemd met Commissaris van de Koningin Johan Remkes. ‘Dat ga ik hier niet voorlezen.’ Een inderhaast aangepaste versie schoof hij vervolgens met iets minder vertoon terzijde. Schijnbaar uit zijn hoofd stak hij daarna een vlammend betoog af, dat doorspekt was van persoonlijke anekdotes en daarmee van persoonlijke betrokkenheid. De losse pols kon niet anders dan gespeeld zijn. Die benadering ‘greep’ het gezelschap.

Betrokkenheid. Dat was misschien wel het kernwoord waar de populariteit van burgemeester Eberhard van der Laan het meest op was gestoeld. In 2013 kreeg hij de Machiavelli-prijs voor zijn verdiensten in de communicatie tussen overheid en burger. Van der Laan kon ook de taal van de straat spreken en wist wat er leefde in de hoofden van ‘zijn’ Amsterdammers.

Legendarisch was zijn confrontatie in de raad met een insprekende burger, die het waagde Van der Laan toe te voegen dat hij nog nooit bij een Amsterdammer (Van der Laan kwam oorspronkelijk uit Rijnsburg) over de vloer was geweest. ‘Flikker toch op, man,’ fulmineerde Van der Laan. ‘Ik woon in de Baarsjes en waar woon jij?’

De antenne voor het gevoel dat leefde bij de man in de straat pikte hij misschien wel op bij de start van zijn politieke carrière (Van der Laan was van huis uit advocaat, in 1983 aan de VU cum laude afgestudeerd in de rechten) als politiek assistent van wethouder Jan Schäfer, die zijn arbeidzaam leven was gestart als banketbakker. Als staatssecretaris van Volkshuisvesting maakte Schäfer zich onsterfelijk met de uitspraak: ‘In gelul kan je niet wonen.’  En Schäfer leverde ook de ademtocht achter de uitspraak: ‘Is dit beleid of is hierover nagedacht?’

Op een goede dag zou Van der Laan het gezegd kunnen hebben.

Humor was een van zijn belangrijkste wapens. Protesterende marktkooplieden die zich ‘uitgekleed’ voelden, boden Van der Laan een oranje string aan. Hij lachte breed en zei: ‘Precies mijn maatje!’

Van der Laan wist als geen ander wanneer hij de teugels strak moest aanhalen en wanneer hij ze kon laten vieren. Bij een van de grootste sportevenementen ooit in Amsterdam, de Europese kampioenschappen atletiek in 2016, blonk hij volgens sommigen uit door afwezigheid. De realiteit was dat hij vrijwel continu in de weer was de veiligheid van het evenement te garanderen, omdat ten tijde van de EK de terreurdreiging groot was. Op en rond Schiphol golden ernstig beperkende maatregelen, in het Olympisch stadion werden de atletieksuccessen zonder ook maar één wanklank gevierd. Vrijwel niemand zag hem, maar als een echte burgervader zat Van der Laan er bovenop.

Graag gunde hij de vloer aan zijn capabele wethouder Eric van der Burg, die – zeker wanneer het om sport gaat – de stad met een ongebreideld enthousiasme kan vertegenwoordigen. Gaf Van der Laan hoogstpersoonlijk acte de presence, dan was zijn enthousiasme vaak even ongebreideld als dat van Van der Burg. Dan kon hij het niet nalaten het kabinet een steek onder water te geven door het voor de stad profijtelijke Olympisch Plan 2028 toch maar weer eens naar voren te brengen. Zoals bij een werkreis naar Japan.

Hij koos zijn momenten in een dossier dat hij zich persoonlijk toe-eigende: het bestrijden van de criminele uitwassen in de vecht- en verdedigingssporten. Van louche figuren moest hij niets hebben. De sport verdiende het uit een slecht daglicht te worden gehaald, bij voorbeeld met een nieuwe, grote bond en met heldere protocollen. Zijn ambassadeurschap voor deze ‘schone’ vorm van verdedigingssport sorteerde effect.

Buigen deed hij niet. Werden de muren van de ambtswoning aan de Herengracht beklad, werden zijn ruiten ingegooid, Van der Laan rechtte zijn rug en zei: ‘Nou, ik kan u vertellen: de familie Van der Laan is niet onder de indruk.’

Dan koos hij niet de strategie van de aanval als de beste verdediging, maar zette hij er bij voorkeur een diametraal ander voorbeeld tegenover. Daarom raakte hij in een emotionele en uitstekend bekeken aflevering van VPRO’s ‘Zomergasten’ de kijkers in het hart door de jonge Ajacied Abdelhak Nouri – die in een oefenwedstrijd door hartfalen in elkaar was gezakt en door hersenbeschadiging nooit meer zou voetballen – als voorbeeld te stellen voor de integratie.

Daarom bood hij zichzelf aan als mediator in de stammenstrijd binnen Ajax tussen het kamp-Cruijff en het kamp-Van Gaal. Daarom stond hij pal voor de naamwijziging van de Amsterdam ArenA in Johan Cruijff ArenA. Daarom – van een heel andere orde – had hij het in april 2013 ‘te druk’ om in het Scheepvaartmuseum een vorkje te prikken met Vladimir Poetin. Ronduit: ‘Ik heb niets met die man.’

De liefde tussen Amsterdam en de Amsterdammer Eberhard van der Laan was op zo’n bijzondere manier wederkerig. Een garantie dat Eberhard van der Laan, burgervader, in het hart van de stad zal verder leven.

Eberhard van der Laan werd slechts 62 jaar.

 

Amsterdam heeft een condoleanceregister geopend voor haar burgervader. Reacties op het overlijden van burgermeester Eberhard van der Laan kunnen hier worden achtergelaten.

Contact info
Topsport Amsterdam
Olympisch Stadion 14
1076DE Amsterdam
Tel.: +31 (0)20 - 4708 708
Contact formulier
Naam
Email
Telefoonnummer
 
Uw bericht